Albert Koele, eigenaar van een huis in Oosterduinen, heeft kennisgenomen van een nieuw burgerinitiatief in Oosterduinen. Hij plaatst vraagtekens bij de inhoud hiervan en heeft een brief gestuurd aan de gemeenteraad van Noordenveld. Deze brief heeft hij onze redactie ter kennisname gestuurd en het leek ons interessant om deze visie met lezers te delen. Albert Koele zegt dat het recente burgerinitiatief oproept tot een eenvoudige dubbelbestemming van huizen. Volgens hem zou daarmee worden voorbijgegaan aan het maken van inhoudelijke afspraken over het gebruik van dit bos en met name het behoud daarvan. Hieronder de integrale brief.
Door Albert Koele
Aan de gemeenteraad van Noordenveld
Betreft: burgerinitiatief Oosterduinen en lopend transformatieproces
Geachte leden van de raad,
Onlangs ontving ik de oproep om steun te betuigen aan een burgerinitiatief betreffende de Oosterduinen. De initiatiefnemers vragen de raad om functieverandering dan wel dubbelbestemming – wonen en recreëren naast elkaar – mogelijk te maken, zonder anterieure overeenkomst en zonder vereveningsbijdrage.
Ik begrijp de wens die hieraan ten grondslag ligt. Dat mensen die soms al jarenlang in de Oosterduinen wonen duidelijkheid willen over hun positie, is alleszins begrijpelijk. Ook ik heb mij nooit principieel tegen wonen in de Oosterduinen gekeerd. Mijn zorg betreft dan ook niet de keuze tussen wonen óf recreëren, maar de vraag onder welke voorwaarden beide mogelijk zijn in een gebied dat vóór alles een bosgebied is. Juist daarom wil ik de raad vragen ervoor te waken dat de volgorde wordt omgekeerd.
De Oosterduinen bevinden zich in een transformatieproces dat juist is ontstaan omdat de discussie over permanente bewoning jarenlang vastliep in vragen over bestemming, handhaving en individuele rechtsposities. De doorbraak ontstond toen een andere vraag centraal kwam te staan: niet eerst mag hier worden gewoond?, maar hoe willen wij hier verblijven? Van de eerste gebiedsvisie, via de Expeditie tot het door de gemeenteraad vastgestelde Streefbeeld is die omkering richtinggevend geweest. Niet langer stond de juridische positie van individuele gebruikers centraal, maar de toekomst van het gebied als geheel. Daardoor ontstond bestuurlijke ruimte om samen met gemeente, provincie en betrokkenen na te denken over de ontwikkeling van de Oosterduinen.
Wim Koster en ik schreven in 2015, beiden vanuit het bestuur van de Vereniging van Huiseigenaren Oosterduinen – ik was destijds voorzitter – het college aan met het voorstel om vanuit een ander perspectief naar de toekomst van het gebied te kijken. Het college nodigde ons daarop uit voor een gesprek. Daarmee werd de eerste stap gezet in het proces dat uiteindelijk heeft geleid tot het huidige Streefbeeld en transformatieproces.
Onze formulering was destijds: het zijn niet alleen de wegen die ons verbinden, maar ook de waarden van het bos.
Dat uitgangspunt is naar mijn mening nog steeds actueel. Wanneer we met elkaar kunnen vaststellen wat we in de Oosterduinen willen beschermen en doorgeven, hoeft het onderscheid tussen iemand die er woont en iemand die er recreëert niet doorslaggevend te zijn. Beiden verblijven immers in hetzelfde bos en zijn afhankelijk van dezelfde wegen, dezelfde veiligheid en dezelfde natuurlijke en landschappelijke kwaliteit.
Een recente historische beschrijving van de Oosterduinen eindigt met de mooie typering van het gebied als een klein stukje ‘Vrij Nederland’. Die woorden spreken mij aan. Niet omdat vrijheid hier zou betekenen dat ieder zijn eigen gang kan gaan, en evenmin omdat ik denk dat de auteur dat ermee bedoelt. De geschiedenis van de Oosterduinen laat juist zien hoe eigenheid en gemeenschappelijkheid steeds naast elkaar hebben bestaan.
De heide- en zandgronden waren ooit gemeenschappelijk bezit van de markegenoten. Na de verdeling ontstond particulier eigendom, maar daarmee verdween de verantwoordelijkheid voor het geheel niet. Eigenaren bleven gehouden zandverstuivingen tegen te gaan en de overheid zag daarop toe. Later ontstond het bos waarin mensen ieder op hun eigen wijze een zomerhuis bouwden, maar tegelijkertijd de paden, zandvlaktes, rust en natuur met elkaar deelden.
Ook een andere geschiedenis van de Oosterduinen verdient in dit verband vermelding. Tijdens de bezetting boden Piet Iest en zijn familie in Waldfrieden onderdak aan achttien onderduikers. Juist op een moment waarop vrijheid voor velen was weggenomen, werd daar verantwoordelijkheid genomen voor de vrijheid van anderen. Dat geeft het beeld van een stukje ‘Vrij Nederland’ voor mij een bijzondere betekenis.
Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn geen tegenpolen. De vrijheid om hier op eigen wijze te wonen of te recreëren kan duurzaam bestaan wanneer wij gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het gebied dat die vrijheid mogelijk maakt.
Dat betekent ook dat aan verblijf in de Oosterduinen voorwaarden mogen worden gesteld. Wie hier woont of recreëert, verblijft in een bos. Dat vraagt onder meer om terughoudendheid met verstening, erfafscheidingen, buitenverlichting en geluid en om ruimte voor de flora en fauna die bij dit gebied horen. De Oosterduinen zouden geen gewone woonwijk, bedrijventerrein of camping moeten worden, maar evenmin een gebied waarin individuele vrijheid zo wordt opgevat dat de kwaliteit van het geheel eraan ondergeschikt raakt.
Brandveiligheid maakt duidelijk dat dit meer is dan een principiële discussie. Het eerder gestarte brandveiligheidsproject heeft resultaten opgeleverd, waaronder straatnamen en een betere vindbaarheid. Maar wezenlijke onderdelen zijn nog steeds niet voltooid. De bereikbaarheid voor hulpdiensten onder moeilijke omstandigheden is nog niet overal voldoende geborgd en ook maatregelen om uitbreiding van brand binnen het gebied te beperken vragen nog aandacht. Een onafhankelijke schouw door de brandweer, samen met de gemeente, heeft deze problematiek opnieuw onder de loep genomen, maar ook aan de uitkomsten daarvan is geen vervolg gegeven. Daarmee zijn de bevindingen uit de rapportage van de Veiligheidsregio uit 2014 op wezenlijke punten nog steeds actueel. De hevige natuurbranden van de afgelopen jaren onderstrepen bovendien dat de urgentie sindsdien eerder is toe- dan afgenomen. Daar raakt individuele keuze rechtstreeks aan de veiligheid van anderen. Een brand houdt immers niet op bij de kadastrale grens van een perceel. Juist daar wordt zichtbaar waarom gezamenlijk gedragen voorwaarden noodzakelijk zijn.
Tegen die achtergrond aarzel ik vooral bij de formulering in het burgerinitiatief dat men functieverandering of dubbelbestemming wil: ‘Meer niet.’ Juist daarin wordt zichtbaar wat er op het spel staat. De juridische bestemming is binnen de gekozen gebiedsontwikkeling niet één onderwerp naast andere onderwerpen. Zij behoort de uitkomst te zijn van de voorafgaande vraag hoe wij in de Oosterduinen willen verblijven en welke voorwaarden nodig zijn om het boskarakter, de natuurwaarden, de veiligheid en de leefbaarheid duurzaam te waarborgen.
Wie nu de dubbelbestemming naar voren haalt en tegelijkertijd de anterieure overeenkomst en vereveningsbijdrage wil uitsluiten, dreigt daarom niet alleen op het proces vooruit te lopen, maar de gekozen volgorde om te keren. Eerst ontstaat dan de juridische mogelijkheid tot wonen; vervolgens moet nog worden geprobeerd de voorwaarden te organiseren waaronder dat wonen zich verdraagt met het gebied. Het transformatieproces is juist vanuit de omgekeerde gedachte opgebouwd.
Dat is geen detail van het proces. Het ís het proces.
De mogelijkheid van permanente bewoning is daarin geen zelfstandig vertrekpunt, maar een mogelijke uitkomst van een transformatie waarin het bos centraal staat en wonen wordt verbonden aan voorwaarden voor kwaliteit, veiligheid en gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid. Wie de mogelijkheid tot wonen verlangt, kan zich daarom niet onttrekken aan de voorwaarden waaronder die mogelijkheid verantwoord kan worden geboden.
Daarom zou het naar mijn mening onwenselijk zijn wanneer gedurende het lopende transformatieproces via een parallel initiatief alvast een juridische positie wordt gecreëerd waarvan de voorwaarden juist onderwerp van dat proces zijn. Daarmee dreigt het gezamenlijke gesprek opnieuw te verschuiven van de kwaliteit van het verblijf naar individuele rechtsposities; precies de impasse waarvoor de gebiedsontwikkeling destijds een uitweg moest bieden.
Ik vraag de raad daarom niet partij te kiezen tussen bewoners en recreanten. Ik vraag u de integriteit van het door de raad zelf ingezette proces te bewaken. Dat betekent ook grenzen stellen waar een individueel of deelbelang vooruitloopt op de gezamenlijke afweging. Niet om wonen onmogelijk te maken, maar juist om een duurzame en juridisch houdbare mogelijkheid tot wonen te creëren die past bij het gebied.
Laat daarom eerst – samen met bewoners, recreanten en andere betrokkenen – helder worden welk gebied wij willen behouden en ontwikkelen, welke waarden daarbij leidend zijn en welke verantwoordelijkheden daaruit voortvloeien. Leg dat vast in een ambitieus transformatieplan. Bepaal vervolgens welke juridische vorm daarbij past en hoe de gemaakte afspraken duurzaam kunnen worden geborgd.
De juridische bestemming behoort niet het vertrekpunt van de gebiedsontwikkeling te zijn, maar de bekroning van een gezamenlijk gedragen manier van verblijven.
Dan hoeft ‘Vrij Nederland’ geen geuzennaam voor ongebondenheid te worden. Het kan staan voor iets waardevollers: een gebied waarin ruimte bestaat voor eigenheid en verschil, omdat mensen bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor het bos, voor elkaar en voor de voorwaarden waaronder die vrijheid ook in de toekomst mogelijk blijft.
Met vriendelijke groet,
Albert Koele
Oud-voorzitter Vereniging van Huiseigenaren Oosterduinen (2014 – 2024)