Historie: De Oosterduinen – geschiedenis van een bijzonder recreatiegebied

Auteur: Redactie op 14 juli 2026

Door Marjolein Rooseboom, redactie Oosterduinen Journaal

Wie in Norg woont – of er vaak komt – weet precies wat er bedoeld wordt met ‘het bos’: de Oosterduinen. Samen met de Langeloërduinen en de Molenduinen is het onderdeel van een gebied vol zandverstuivingen dat al honderd jaar gebruikt wordt voor recreatie. Dit jaar is het precies honderd jaar geleden dat de eerste bouwvergunningen voor een ‘zomerhuisje’ in de Oosterduinen bij de gemeente binnenkwamen. Voor mij was dit reden genoeg om in de geschiedenis van dit bijzondere gebied te duiken.

Waar hebben we het eigenlijk over als we het over De Oosterduinen hebben? Het gaat dan over het gebied dat grofweg begrensd wordt door Roeghoornweg, de Grote Kampweg (met een uitloper naar het noorden) de Middenweg en de Donderseweg. Aan de westelijke kant van de Roeghoornweg beginnen de Langeloërduinen, die op hun beurt overgaan in de Molenduinen. De foto op de voorkant van de Boerhoorn laat goed zien hoe de zandverstuivingen de noordkant van het dorp omringen.

Het heden
Op dit moment bevindt het gebied zich in een ‘transitie’: een traject waarbij wordt onderzocht in hoeverre permanente bewoning van het gebied kan worden toegestaan. Samen met Vitale Vakantieparken Drenthe en een werkgroep van huiseigenaren uit de Oosterduinen onderzoekt de gemeente op welke manier het mogelijk is de woningen te gebruiken voor bewoning.
Dit traject is al heel lang aan de gang, en een paar jaar geleden hebben alle paden in het gebied straatnamen gekregen om de bereikbaarheid en vindbaarheid van de woningen te verbeteren. Voor die tijd was het gebied opgedeeld in vakken: het A-vak lag het dichtst bij het dorp, het D-vak lag het verst van het dorp. Daartussenin en daarboven bevonden zich het B-vak, het Z-vak, het E-vak en het F-vak. Aan de andere kant van de Donderseweg lag nog een plukje woningen in het C-vak.
Het gebied is volgebouwd met recreatiewoningen. Een wirwar van zandpaden leidt de wandelaar langs prachtige luxueuze woningen, pittoreske houten huisjes en rustieke rietgedekte woningen. Een eenheid is ver te zoeken, en dat is logisch te verklaren vanuit de geschiedenis van de Oosterduinen.
Naar schatting is ongeveer de helft van de woningen permanent bewoond. De rest is voor het overgrote deel in eigendom van particulieren die zelf regelmatig gebruik maken van hun recreatiewoning. Een klein deel wordt commercieel verhuurd.

Van zandverstuiving tot recreatiebos
Als de mens niet had ingegrepen in de hoge gronden van Drenthe, dan zou er een gemengd loofbos gestaan hebben. Maar de mens greep wel in: vijfduizend jaar lang hebben boeren akker- en weidegrond gecreëerd voor de noodzakelijke voedselvoorziening. Daardoor is er veel bos verdwenen. Doordat de voormalige bosgronden begraasd werden, verarmde de bodem en ontstonden geleidelijk grote heidevelden.
De heidevelden bestonden voor een deel uit zandverstuivingen. In de achttiende en negentiende eeuw breidden die zandverstuivingen zich enorm uit. Dat gebeurde vooral op plekken waar veel schapen liepen en waar karrensporen door de velden heen liepen. Die karrensporen doorsneden de heide en als het lang droog was, werd het losse zand verspreid door de wind. Dat kon een proces worden dat niet meer te stuiten was. De stuifkuilen werden steeds dieper en het zand bedekte de lagere delen van het landschap, die soms zo hoog werden als de oorspronkelijke zandruggen. Des te meer de zandverstuivingen zich uitbreidden, des te minder akkergronden, heidevelden en veengebieden er waren. Deze zandverstuivingen kwamen in elk dorp in Drenthe voor. Men probeerde deze verzanding tegen te gaan door helm en bomen te planten. Maar dat lukte alleen als de beplanting werd bijgehouden; anders nam het zand het gebied weer over.
Ook Norg werd geplaagd door zandverstuivingen. Norg was een typisch esdorp: een brink met boerderijen en daaromheen esgronden die werden bebouwd, graslanden langs de beken en heidegronden waar het vee graasde. Rond Norg lag een groot zanderig gebied: de Oosterduinen, de Langeloërduinen en de Molenduinen. Op kaart 5 van De Franse kaarten van Drenthe en de noordelijke kust is duidelijk te zien dat er op de plek van de Oosterduinen, Langeloërduinen en Molenduinen in 1811-1813 grote zandverstuivingen waren.
De heide en de zandverstuivingen waren eigendom van de ‘Markegenooten van ’t Westeinde van Norg’. Die markegenoten waren boeren met eigen erf, die aandelen hadden in de Boermarke. De heidegronden waren gemeenschappelijk bezit van de Boermarke. De boeren die bij de Boermarke hoorden, hadden daar hun schapen lopen; er waren geen erfscheidingen.


Detail van kaart nr. 5 van de Franse kaarten van Drenthe en de noordelijke kust 1811-1813.

Nu waren er in de achttiende eeuw al stemmen opgegaan in Drenthe, maar ook daarbuiten, om de gemeenschappelijke ‘woeste gronden’ (de heidevelden met de zandverstuivingen) te verdelen. De achterliggende gedachte was dat de eigenaars de grond snel zouden ontginnen als die particulier bezit zou worden. Het doel was uiteraard de landbouw te bevorderen. Maar in veel gebieden, en ook in Drenthe, was daar veel verzet tegen bij de markegenoten. In de traditionele landbouw waren de ‘woeste gronden’ namelijk hard nodig als weidegrond voor de schapen en als leverancier van plaggen. Die plaggen werden gebruikt in de potstallen waar de koeien stonden. De plaggen werden gemengd met uitwerpselen en uiteindelijk werden daar de velden mee bemest.
Lodewijk Napoleon probeerde met zijn wetten van 16 april 1809 en 10 mei 1810 de ontginning van de woeste gronden vlot te trekken. Dat lukte echter niet, mede dankzij de malaise in de landbouw na 1917. In 1837 probeerde Willem I de wetten van Lodewijk Napoleon opnieuw onder de aandacht van de betrokken provincies en gemeenten te brengen. Daarna kwam de verdeling langzaam op gang. In 1860 was driekwart van de gemeenschappelijke grond in Drenthe verdeeld. Alleen in Norg, Oosterhesselen en Zweeloo kwamen toen nog grote stukken onverdeelde grond voor. Jan Bieleman schrijft in zijn proefschrift Boeren op het Drentse zand 1600-1910 dat er in 1882 nog steeds gemeenschappelijke markegronden in Norg waren. Die zouden voornamelijk bestaan uit bos. Maar uit het document Scheiding van de Marke van het Westeinde van Norg van 24 augustus 1874 blijkt dat de gemeenschappelijke markegronden in Norg al eerder verdeeld werden. Bovendien bestonden die gronden niet uit bos, maar uit heide met zandverstuivingen.
De gronden werden verdeeld in smalle stroken of ‘slagen’ van twee tot enkele tientallen meters breed en achttienhonderd tot drieduizend meter lang. Daardoor wisselden de delen die geschikt waren voor ontginnen de ongeschikte delen af. Maar tot ontginnen kwam het niet bij de eigenaars van de stroken grond in de zandverstuivingen bij Norg. Ten eerste was de grond daar niet geschikt voor en ten tweede bevond de landbouw zich tussen 1878 en 1895 in een crisis. Daardoor werd er over het algemeen veel minder land ontgonnen. Na 1895 werden er meer ontginningen uitgevoerd. Aanvankelijk gold dat vooral de dalgronden in Drenthe, maar met de opkomst van de kunstmest en het aantrekken van de conjunctuur namen ook de heideontginningen toe.
Wel waren de eigenaars van de stroken grond in de zandverstuivingen verplicht om uitbreiding van de verstuivingen tegen te gaan. Die verplichting was geregeld middels het reglement ‘tot voorkoming, wering en wegneming van zandverstuivingen’ dat de Gedeputeerde Staten van Drenthe in 1823 hadden uitgevaardigd. De gemeenten hadden de taak om te controleren of de eigenaars hun plicht deden. Daarvan werd regelmatig rapport uitgebracht in ‘proces verbalen’. Hierin stond bijvoorbeeld dat de burgemeester en wethouders de zandverstuivingen hadden bekeken en hadden bevonden ‘dat deze geheel tot rust zijn gebracht’. Eigenaars die hadden verzuimd om de zandverstuivingen te beperken, werden gemaand om dat binnen zes maanden nog te doen. Dat deden ze door plaggen uit de heidevelden neer te leggen.
Een andere manier om zandverstuivingen tegen te gaan, was het planten van bomen. Volgens J. Abrahamse in Het Drentse Landschap ging dat het best met grove dennen, en later ook Oostenrijkse dennen. Dat had nog een bijkomend voordeel, want naar hout was veel vraag. Het was nodig als brandstof en als bouwmateriaal, maar er werd ook veel hout naar het zuiden van het land getransporteerd voor de opkomende mijnbouw. Tussen 1874 en 1899 is het gebied van de Oosterduinen en Langeloërduinen voor het grootste deel beplant met bomen. Dat is te zien op kaart 132 van de Historische Atlas Drenthe uit 1899. Hierop zijn de Oosterduinen en Langeloërduinen (‘Oostersche Duinen’) aangegeven als bosgebied.

Detail van kaart 132 van de Historische Atlas Drenthe van 1899.

De eerste stappen naar recreatie
Dat bos in de Oosterduinen was een van de redenen dat het gebied een functie kreeg als recreatiegebied. Er was een aantal factoren die daar invloed op had. De Arbeiderswet van 1919 bepaalde dat een werkdag uit maximaal acht uur mocht bestaan. Plus vier uur op de zaterdagmorgen was dat 48 uur. Het aantal vrije dagen steeg van zeven naar negen uur per jaar. Daarmee kreeg men aanzienlijk meer vrije tijd (in 1870 werkte de gemiddelde arbeider nog zeventig uur per week!). Daarnaast werd men steeds mobieler: de fiets werd een betaalbaar vervoermiddel en ook de auto kwam op. Niet alleen voor de rijken, maar ook voor minder bedeelden. Want handige jongens begonnen met hun auto’s busdiensten te rijden. Zo begon in 1922 de firma Kregel in Norg een autodienst tussen Norg en Groningen.

In hetzelfde werd het begrip ‘recreatie’ in de huidige betekenis geboren. In dat jaar beschreef de heer H. Cleyndert, bestuurslid van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten, in het jaarboek hoe de regering van de Verenigde Staten de nationale parken dienstbaar wilde maken aan ‘recreation’: ontspanning in de natuur. Met ontspanning werd bedoeld: een beleving van de natuur als ruimte voor bezinning, emotie, spontaniteit en verbeelding. Dat was een heel verschil met het tot dan toe bestaande beeld van ontspanning als middel om het volk op te voeden. Het begrip ‘recreatie’ werd vanaf dat moment gezien als tegenwicht voor het drukke stadsleven.
Het werd haalbaar voor mensen in de stad om een zomerhuisje te bouwen in de bossen van Norg en daar in het weekend op de fiets naartoe te rijden. In de zomervakantie kon moeder er met de kinderen blijven, terwijl vader op zijn fiets naar zijn werk in de stad ging.

In 1926 werden er voor het eerst bouwaanvragen ingediend bij de gemeente voor de bouw van zomerhuisjes in de Oosterduinen. Zo verpachtte de heer Karst Karsten, eigenaar van Hotel Karsten in Norg, een deel van zijn kavel D472 in de Oosterduinen aan G.J. Jager in Groningen. Jager diende een bouwaanvraag in om er een zomerhuisje te plaatsen. Verder verscheen in 1927 voor het eerst een V.v.V.-gids voor Norg en Omstreken, uitgegeven door de kersverse Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer.
Het duurde niet lang voor het gemeentebestuur van Norg een lobby zich actief inzette om toeristen te trekken. In het voorwoord bij de Geïllustreerde Gids voor Norg en omgeving met wandelkaart, uitgegeven door de V.v.V. Norg en Omstreken in 1927 schrijft burgemeester Tonckens:
“Van de vele bosschen in de gemeente zijn beroemd: De Ooster- en Langeloërduinen, waarin vele heuvels. Alles is begroeid met hooge en lage dennen en eikenbosch. Deze bosschen vormen een aaneengesloten geheel en strekken zich in het Oosten voorbij den straatweg naar Donderen, in het Westen voorbij den grintweg naar Langelo uit. In ’t geheel zijn ze ruim 150 H.A. groot. Ze worden doorkruist met prachtige paden, waarlangs vrij hooge heuvels met schitterende vergezichten.”

In dit gidsje wordt gedetailleerd een wandeling rond Norg beschreven waarbij de wandelaar ook door de ‘Oostersche Duinen’ geleid wordt. De auteur schrijft:
“Nog maar nauwelijks heeft men het dorp verlaten, of men heeft de Oostersche Duinen reeds bereikt, welke zich over een afstand van 1,5 km links van de weg uitstrekken. Ook deze Duinen zijn bijna geheel met dennen bedekt en loonen ongetwijfeld de moeite van een of meerdere wandelingen. De heerlijke rustige omgeving heeft reeds meerderen er toe gebracht, daar een perceel woeste grond te koopen, om er een houten “landhuisje” te plaatsen. Op dezelfde wijze kunnen ze hun vacantietijd en hun overige vrije dagen in innig contact met de natuur doorbrengen.”

In het gidsje staat een foto van de Langeloërduinen, die de aard van het gebied treffend weergeeft: een moeilijk begaanbaar, zanderig duingebied met jonge dennen.

 

Een paar jaar daarna bracht dezelfde V.v.V. Norg en Omstreken een Hotel- en Pensiongids voor Norg uit (deze gids is niet gedateerd, maar er staat met potlood ‘1937’ op geschreven). Hierin staan, naast zes hotels en vijftien pensions in Norg (wat veel lijkt voor zo’n klein dorp, dus blijkbaar was er veel toerisme) ook de huisjes die verhuurd werden. In de Oosterduinen waren dat 27 zomerhuisjes. In werkelijkheid hebben er meer huizen in de Oosterduinen gestaan, want niet alle eigenaren verhuurden hun zomerhuis.

De eerste zomerhuisjes
Hoe is de recreatie in de Oosterduinen tot stand gekomen? Een manier om daarachter te komen, is door bouwaanvragen te bestuderen die zijn ingediend tussen de jaren 1926 en 1940 voor zomerhuisjes in de Oosterduinen. De bouwaanvragen van 1926 tot 1930 waren digitaal beschikbaar bij de Historische Vereniging Norch. Voor de bouwaanvragen tussen 1930 en 1940 ben ik bij het archief van de voormalige gemeente Norg geweest.
Totaal zijn er 24 bouwaanvragen voor de Oosterduinen. De meeste huisjes komen ook terug op lijst met ‘landhuisjes’ in de Hotel- en Pensiongids van 1937. Deze lijst met bouwaanvragen is niet compleet. Immers, volgens de lijst in de Hotel- en Pensiongids stonden er in 1937 al 27 huisjes. Bovendien verhuurden niet alle eigenaars hun huisje, dus hebben er ongetwijfeld meer huisjes gestaan. Misschien werd er niet altijd een bouwaanvraag aangevraagd voor een huisje in het bos. Ook zijn er in de loop van de jaren waarschijnlijk bouwaanvragen verdwenen (geleend en nooit meer teruggebracht).
De bouwaanvragen bestaan uit meerdere documenten. Ten eerste is er een brief waarin de aanvrager vertelt waar hij het huisje wil bouwen en op welke manier het huisje gebruikt gaat worden. Vanaf 1930 wordt de motivatiebrief vervangen door een standaardformulier. Ten tweede is er een bouwtekening met het voor-, zij- en achteraanzicht van het huisje, de plattegrond en eventueel de plaatsing op het kavel. Ten derde is er soms een technische specificatie van de te gebruiken materialen en de bouwwijze bijgevoegd.
Wat opvalt, is dat voor kadasternummers D 473, D 472 en D 594 meerdere bouwaanvragen zijn ingediend. Voor D 472 van Karst Karsten zijn er zelfs vier bouwaanvragen ingediend. Karsten deelde zijn kavel in vier percelen en verpachtte die aan de aanvragers van de bouwvergunning. K.E. Kuiper, eigenaar van kavel D 473, verkocht een deel van zijn kavel aan H. Braaksma, die op 9 juni 1926 een bouwaanvraag indiende voor een huisje op die grond. Zelf diende Kuiper op 4 oktober 1926 een bouwaanvraag voor een huisje in.

Ook voor de minder rijk bedeelden
Wat verder opvalt, is dat de indieners van de bouwaanvragen tot de middenklasse behoren. Voor deze mensen was het blijkbaar financieel haalbaar om stukje grond te pachten (of kopen) en er een huisje te bouwen.
Waar stonden de eerste huisjes? Op een van de plattegronden bij de Hotel- en Pensiongidsen die het V.v.V. Norg en Omstreken uitbracht, is goed te zien in welke delen van de Oosterduinen de eerste huisjes stonden. De Roeghoornweg, de Grote Kampweg en de Voorsteweg zijn herkenbaar. Ook het kronkelige pad naar de Grote Zandvlakte (de Kastanjelaan) en pad waar de huisjes 1, 2 en 3 aan staan (het Karrepad) waren er al. Overigens corresponderen de nummers op deze plattegrond niet met de lijst van huisjes in de bijlage. Deze plattegrond komt uit een andere uitgave. De reden daarvan is dat de lijst van huisjes bij deze plattegrond zeer beperkt was. Daarentegen was de plattegrond bij de uitgebreide lijst huisjes volstrekt ontoereikend. Op die plattegrond is onmogelijk de exacte locatie van de huisjes te bepalen.
Door de verschillende Hotel- en pensiongidsen met de bijbehorende plattegronden te vergelijken met de huidige plattegrond is voor de meeste huisjes te herleiden waar ze hebben gestaan. Een andere bron was de reconstructie die Piet Iest heeft gemaakt. Hij woonde in de Tweede Wereldoorlog in het huisje Waldfrieden (het huisje van A.F. Koning, nu Z14) en heeft zijn herinneringen op papier gezet. Volgens hem waren er tot 1946 34 huisjes in de Oosterduinen.

 

Detail van een plattegrond uit een Hotel- en Pensiongids van de V.v.V. Norg en Omstreken (niet gedateerd).

Op de eerste bouwaanvraag van H. Deuling van 28 april 1926 staat dat het huisje komt te staan aan het Schipmeer, op de grond van R.L. Voortman. Dit was een boer die een boerderij had aan de weg naar Donderen. Op de plattegrond is dat huisje nr. 10. Ook het huisje van Evert van Veen stond vlak bij het Schipmeer; dat is huisje nr. 11.
Verder valt op dat er huisjes staan aan het Karrepad; daar stonden de huisjes van H. Steenkamp (nr. 3) en J. Schriemer (nr. 1 of 2). Iets verderop naar het bos zien we huisjes nr. 5 en 8; dat zijn de huisjes van A.F. Koning en A.J. Hindriks. Het Karrepad was de kortste weg naar het dorp, dus het lag voor de hand dat daar de eerste zomerhuisjes verrezen.
Ook rond de Grote Zandvlakte staan zomerhuisjes. Dat is logisch, want de Grote Zandvlakte was een grote open zandvlakte midden in het bos; een ideale plek om met kinderen naartoe te gaan om te picknicken en te spelen. Hier stonden de huisjes van Hendrik Braaksma (nr. 23), K.E. Kuiper (nr. 22), G.J. Jager (nr. 18), mej. R.A.H. Hamming (nr. 19) en K.A. Siekman (nr. 25).
Ten slotte is er een groepje huisjes rond de Kleine Zandvlakte. Dat zijn de huisjes van P. Jansen (nr. 13), G. Jeltsema (nr. 15) en Harm Vrucht (nr. 14). De andere huisjes die ik heb kunnen traceren zijn die van W. Smit (in de buurt van nr. 14) en T. De Haan (aan de Donderseweg richting Donderen, niet op de plattegrond).

Op stiepjes
Hoe zagen die eerste zomerhuisjes in de Oosterduinen eruit? Ook dat kunnen we uit de bouwaanvragen halen. De kleinste was 2 bij 2,60 meter groot, de grootste 6,5 x 11 meter. Ze waren bijna allemaal van hout (er was in die periode één aanvraag voor een stenen huisje) en werden veelal gebouwd op stenen ‘stiepjes’: gemetselde blokken die als fundering dienden en waardoor de bodem van het huisje de bodem niet raakte. In de gevallen dat er een dakbedekking werd vermeld in de bouwaanvraag, was dat meestal asbest golfplaat. Eén aanvrager wil zijn dak bedekken met asfalt en lei, een ander wil een rieten dakbedekking en vier aanvragers kiezen voor dakpannen.
Dit betreft de bouwaanvraag van de heer K. Kuiper uit Groningen voor het huisje op kavel D 473.

 

Bouwtekening bij de bouwaanvraag voor een zomerhuisje door dhr. K.E. Kuiper te Groningen, op een kavel met kadasternummer D 473.

Op de tekening staat een impressie van het voor- en zijaanzicht van het huis, een plattegrond en de plaatsing van het huis op het kavel. Kuiper plaatste zijn eigen huis helemaal in de hoek van zijn kavel, zodat hij de rest van de grond kon verpachten aan andere recreanten. Op de bouwtekening is ook te zien waar de welput met de pomp zou komen: vlak bij de keuken.
De indeling van dit huisje is een goed voorbeeld van de aanvragen die tussen 1926 en 1940 ingediend zijn. De tekening laat duidelijk zien dat het huisje alleen de noodzakelijke voorzieningen bevat. Er is een woonkamer en een slaapkamer waar drie bedden in staan: een tweepersoonsbed voor de ouders en twee eenpersoonsbedden voor de kinderen. Het privaat staat aan het huis vast, maar is alleen van buiten te bereiken. Dat was een eis van de gemeente, in verband met de hygiëne. Voor de ingang is een veranda gepland. Die zien we bij veel andere aanvragen en dat was geen overbodige luxe: de zanderige bodem veranderde bij nat weer ongetwijfeld in één grote modderpoel.
In 1938 en 1939 zien we de eerste aanvragen voor huisjes met een bovenverdieping verschijnen. Het zijn de aanvragen van J. Stokroos uit Groningen van 14 maart 1938 en van J. Schriemer uit Groningen van 3 oktober 1939. Het huisje van J. Stokroos bestaat uit een woonkamer en drie slaapkamers. Twee slaapkamers bevinden zich op de bovenverdieping. Op de bouwtekening van het huisje van J. Schriemer is de plattegrond van de bovenverdieping niet getekend, maar er gaat wel een trap naar toe.

Genieten van de heerlijke boschlucht
Hoe willen de aanvragers hun huisje gebruiken? Deze informatie vinden we in de aanvragen tot 1929 in de bijgevoegde brieven. Vanaf 1930 gebruiken de aanvragers een standaardformulier voor de bouwaanvraag en zijn er geen begeleidende brieven meer bijgevoegd. Van die aanvragers weten we niet welk beroep ze hadden en waar ze het huisje voor willen gebruiken (de meesten vullen alleen in: ‘zomerhuis’).
De meeste aanvragers willen het huisje gebruiken in de weekends van zaterdag op zondag en in de vakanties een paar weken. De heer De Boer uit Groningen schrijft: “(…) om mijn vrouw en kinderen in de zomermaanden voor hun gestel van de heerlijke boschlucht te doen genieten.” Mevrouw Stratingh-de Jong schrijft dat ze het zomerhuisje wil gebruiken: “voor de zomermaanden van zaterdag’s middag tot zondagavond’s en een of twee weken in de vacantie.”
Maar er zijn ook aanvragers die een ander doel voor ogen hebben met hun huisje. De heer Koning uit Groningen schrijft: “om de zondag in Norg te kunnen doorbrengen – voor een gezin van zes personen.” Hij wil een zeshoekig gebouwtje bouwen dat uit een enkele ruimte bestaat. Hij heeft geen keuken en toilet ingetekend. Ook P. Jansen wil zijn huisje alleen gebruiken “om er zondags in te gaan wonen met mijn vrouw en twee kinderen.” Net als de heer Koning denkt hij aan een simpel huisje zonder keuken of toilet.
Nog weer anders is de aanvraag uit 28 juni 1930 van de heer Burema, apothekers-assistent uit Groningen, voor een huisje op kavel D 387. Hij schrijft in zijn brief: “Het gebouwtje zal gebruikt worden voor het opbergen van kampeertenten/kampmateriaal en voor het bereiden van spijzen op petroleumtoestellen. De kooktoestellen zijn geplaatst op asbestplaten.” Het gebouwtje waar hij het over heeft, is slechts 2 x 2,60 meter groot en heeft geen privaat. Waarschijnlijk bracht de heer Burema met zijn gezin wel de vakanties in de Oosterduinen door, maar dan in een tenthuisje. Zijn vrouw kookte de maaltijden in het huisje. Datzelfde geldt voor J. Fokkens, die een simpel huisje aanvraagt van 2,5 x 3,5 meter groot als “buitenverblijf, bestemd voor bergplaats van rijwielen en tevens dienende als schuilplaats.”
Hoe moeten wij ons de vakanties van die eerste recreanten in de jaren twintig van de vorige eeuw voorstellen? Ik heb geen documenten kunnen vinden die daar antwoord op geven. Uit de bouwaanvragen kunnen we afleiden dat sommige huisjes een welput en een pomp bij het huisje hadden waar ze water uit haalden. In de bouwaanvraag van de heer Burema lezen we dat er gekookt werd op een petroleumstel. De verlichting zal bestaan hebben uit petroleumlampen. Het privaat mocht van de gemeente geen deel uitmaken van het huisje, vanwege hygiënische redenen. De ontlasting verdween namelijk in een gat in de grond. Wellicht in een emmer, die in het bos geleegd werd.
Hoewel ik uit de jaren twintig en dertig geen ooggetuigenverslagen heb kunnen vinden, heb ik wel twee verslagen gevonden van mannen die in en vlak na de Tweede Wereldoorlog in de Oosterduinen hebben gewoond. De eerste is een verslag van Norgenaar Piet Iest, die in de oorlog met zijn ouders en achttien onderduikers woonde in het huisje Waldfrieden (waarschijnlijk het huisje dat werd aangevraagd door A.F. Koning op 16 februari 1927, nu Z14). Hij schrijft: “Water pompte je op met een zwengelpomp of nortonpomp. In de buurt stond buiten een zogenaamde nummer honderd (ploemsklo) [overgenomen uit het Duits: Plumpsklo, schijthuis, red], huishoudelijk afval (…) ging in de belt, kachel en fornuis werden gestookt van tot in de grond afgezaagde bomen.”
Het tweede verslag is van Melle Hoitsma, die aan het eind van de jaren veertig met zijn ouders en zusters per fiets uit Groningen naar Norg reed om daar in hun zomerhuisje te verblijven. Hij beschrijft in een eerder nummer van De Boerhoorn dat men kookte op een petroleumstel of een gaststel dat was aangesloten op een butagastank. Verder heeft Hoitsma levendige herinneringen aan het toilet: “Buiten werd een hokje getimmerd boven een diep gat waarin een plee afgetimmerd werd met een deksel. Aan een spijker werd een oude krant bevestigd voor het afvegen van het achterwerk.” Hij beschrijft ook hoe dat ’s nachts ging: “De verlichting bestond uit een petroleumlamp en een knijpkat voor het geval dat je ’s avonds of ‘s nachts naar het wc-huisje moest (…). Mijn moeder en mijn zusters durfden dat nooit, die gingen wel op de pot.”
Is er iets bekend over vertier in het bos? Ook over dit onderwerp heb ik geen informatie uit de jaren twintig en dertig kunnen vinden. Wel is bekend dat de Grote Zandvlakte de plek was waar iedereen bij elkaar kwam. Volgens Piet Iest was deze zandvlakte al in de jaren veertig “een centrum van schoolreisjes, picknickende families, openlucht-kerkdiensten (hagepreken) met muziek van de brassband van Het Leger des Heils en met zang van Kees Deening.” Hij schrijft verder dat er sinds 1936 activiteiten georganiseerd werden door wat destijds het Nederlands Bijbel Genootschap heette, en nu het Interkerkelijk Recreatiewerk (IKR).

Eigenzinnig karakter
Voor 1874 was het gebied rond Norg nog één groot heidegebied met zandverstuivingen. In 1874 besloot de gemeente Norg om deze gemeenschappelijke markegronden te verdelen onder de markegenoten. De eigenaars van de percelen gingen hun percelen beplanten met grove dennen omdat er veel vraag naar hout was. In het begin van de twintigste eeuw kwam het toerisme op gang en besloten de eigenaars van de percelen in het jonge bos stukken grond te verkopen en verpachten aan stedelingen, die er een zomerhuisje op plaatsten.
De Oosterduinen heeft haar eigenzinnige karakter te danken aan het feit dat er nooit een projectontwikkelaar is geweest die er een recreatiepark met gelijkgevormde huisjes, een slagboom, een receptie, een zwembad en een speeltuin van heeft gemaakt. Ook het gemeentebestuur heeft zich blijkbaar nooit geroepen gevoeld om controle te houden over dit gebied; er waren geen gemeenschappelijke verplichtingen om het gebied te onderhouden of om er recreatieve voorzieningen te creëren. Elke eigenaar was heer en meester over zijn eigen stukje grond, inclusief de wegen die over zijn grond liepen. En dat is nog steeds zo. Dat verklaart waarom het gebied nog steeds een klein stukje ‘Vrij Nederland’ is.

Bronnen
– Boerhoorn nr. ??
– Bouwaanvragen 1929-1930, archief Historische Vereniging Norch te Norg.
– Bouwaanvragen 1930-1940, gemeentearchief voormalige gemeente Norg te Roden.
– Herinneringen van Piet Iest aan de Oosterduinen
– Mededeling in het Nieuwsblad van het Noorden van 22 juli 1922, www.delpher.nl/kranten.
– Mededeling in de Leeuwarder Courant van 20 september 1927, www.delpher.nl/kranten.
– Stant van de in de Gemeente Norg aanwezige ongestopte zanden, archiefmap nr. B42, gemeentearchief voormalige gemeente Norg te Roden.
– Scheiding van de Marke van het Westeinde van Norg van 24 augustus 1874, archief Historische Vereniging Norch.
– Proces Verbalen over de beperking van de zandverstuivingen bij Een tussen 1871 en 1928, gemeentearchief voormalige gemeente Norg te Roden.
– Proces Verbaal 1907 en 1899, gemeentearchief voormalige gemeente Norg te Roden.
– VVV Norg en Omstreken, Geïllustreerde Gids voor Norg en omgeving met wandelkaart, Historische Vereniging Norch.
– VVV Norg en Omstreken, Hotel- en pensiongids voor Norg, Historische Vereniging Norch.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *